God is het zat!
Alle fanatieke bijbellezers stuiten een keer op lastige passages. Soms wordt bijvoorbeeld gezegd dat God niet wil luisteren naar mensen die hulp nodig hebben. Die houding van God roept natuurlijk veel vragen op. Keert God zich ten onrechte van de mensen af?
Een voorbeeld van zo’n lastig tekstgedeelte is te vinden in het bijbelboek Jeremia. Jeremia 14:1–15:9 zet in met de beschrijving van een dramatische achtergrond: een extreme droogte die zowel mensen als dieren teistert (14:2-6). Later wordt een ander schokkend beeld geschetst: op de akkers liggen lijken van mensen, geveld door het zwaard, en in de stad creperen mensen van de honger (14:17-18). Kennelijk gaat het om de belegering van Jeruzalem door de Babyloniërs. De angst slaat de inwoners om het hart: het is nu al erg, maar wat gaat er nog gebeuren?
God schiet tekort
Na elk van die twee beschrijvingen leggen mensen hun nood voor aan God (14:7-9 en 14:19-22). In hun smeekgebed erkennen ze dat ze schuldig zijn (14:7, 20). Ze gaan er kennelijk van uit dat hun nood met hun eigen fouten te maken heeft. Ze hebben niets positiefs in te brengen waarmee ze voor zichzelf kunnen pleiten. Maar toch proberen ze God ervan te overtuigen dat Hij hun ellende moet beëindigen. Ze zeggen tegen God dat Hij dat moet doen ‘omwille van uw naam’ (14:7, 21). Als de noodsituatie voortduurt, dan is dat namelijk niet alleen erg voor het volk, maar dan is het tweede negatieve gevolg dat Gods goede naam op het spel komt te staan. De impliciete boodschap is: God, U gooit uw eigen glazen in als U geen einde maakt aan onze ellende.
Er wordt nog meer tegen God ingebracht. God wordt aangesproken op wat Hij zou moeten zijn: ‘bron van hoop’ en ‘redder in tijden van nood’. Dat God zo is blijkt nu nergens uit. God, die er voor het volk zou moeten zijn, is ‘als een vreemdeling in dit land’, als een voorbijganger die alleen maar een nachtje blijft slapen (14:8). Hij zou een ‘held’ (NBV21: ‘soldaat’) moeten zijn, maar Hij is een held op sokken van wie je niets kunt verwachten (14:9).
God, waarom?
Degenen die hun nood aan God voorleggen erkennen dat ze tekortgeschoten zijn, maar ze vinden dat God ook tekortschiet. Hun zonde is geen afdoende verklaring voor wat hun overkomt. Vandaar dat de toon kritisch wordt: ‘Waarom hebt U ons zo hard geslagen dat er geen genezing voor ons is?’ (14:19). Wij horen toch bij U (14:9)? Het kan toch niet zo zijn dat God zijn verbond met het volk verbreekt (14:21)? Het kan toch niet zo zijn dat God ineens niet meer geeft om de berg Sion, waar zijn tempel staat (14:19)?
In andere delen van het Oude Testament zijn dat sterke argumenten, die God op andere gedachten kunnen brengen. Daar wordt veel vaker om vergeving gevraagd ‘omwille van uw naam’ (bijv. Ps 25:11; 79:9). Volgens het boek Ezechiël besluit God het volk inderdaad te sparen omwille van zijn naam, ook al is het nog zo hardnekkig (20:9, 14, 22, 44; 36:21-23). Ook in Psalm 74:1-2 wordt gevraagd waarom God zijn volk laat vallen en ook daar wordt Hij herinnerd aan zijn liefde voor de berg Sion. God wordt er daar op gewezen dat Hij toch een verbond heeft met het volk en dat Hij het volk dus moet verlossen (Ps 74:20). Dat verbond is voor God dan ook een aanleiding om zich weer over zijn volk te ontfermen (bijv. Ps 106:45).
God gaat niet overstag
Maar opvallend genoeg worden in het boek Jeremia beide pleidooien van het wanhopige volk gevolgd door een afwijzende reactie van God (14:10-12 en 15:1-9). God vergeeft de zonden niet. Het volk kan van alles doen – vasten, of offers brengen – maar Gods besluit is onherroepelijk. God verbiedt Jeremia dan ook voor het volk te bidden (14:11; zie ook 7:16 en 11:14). Zelfs al zou Mozes of Samuel voor het volk pleiten, Gods besluit staat vast (15:1). Dat is opvallend, omdat Mozes en Samuel nu juist bekendstonden als succesvolle pleitbezorgers van het volk, ook al bleef het nog zo in gebreke, zoals bij de verering van het gouden kalf (zie Ex 32:11-13, 31-32; Num 14:11-20; 1 Sam 7:5-9; Ps 99:6).
Kennelijk zijn voor God de tekortkomingen van het volk te ernstig om eraan voorbij te kunnen gaan. Het berouw is te oppervlakkig en de wil om met het kwade te breken is niet sterk genoeg. De suggestie dat God zich niet aan het verbond zou houden is ook niet terecht, want het is juist het volk dat zich er niet aan houdt (Jer 11:8-10; 22:9). Jeremia maakt elders concreet wat de fouten van het volk zijn (bijv. 7:5-9; 9:2-8; 23:14). Er is geen aandacht voor de armen, weduwen, wezen en vreemdelingen. De mensen zijn onbetrouwbaar en denken alleen aan zichzelf. Ze luisteren liever naar profeten die over het onrecht zwijgen dan naar Jeremia, die het beestje bij de naam durft te noemen. Ze vereren liever andere goden, maar als ze in de problemen komen willen ze ineens weer door God geholpen worden.
Eerlijk tegenover jezelf
Uiteindelijk is er volgens Jeremia nog hoop voor het volk: God zal de zonden van het volk vergeven en het volk zal God van harte dienen (Jer 30–33, vooral 31:31-34). Maar dat kan op dit moment nog niet de boodschap zijn. De eerste stap is dat het volk zijn eigen tekortkomingen veel eerlijker onder ogen ziet. Pas dan kan de relatie met God weer hersteld worden.
Kritiek op God is niet taboe. Ook Jeremia heeft moeite met God. Maar zijn boodschap is duidelijk: van God mag je niet verwachten dat Hij ons op onze wenken bedient. Wees eerst maar eens kritisch op jezelf!